|
Met het stukje voor de kinderen zonet zit je er al midden in, hoe hard de dood kan aankomen bij ons, hoe intens verdrietig je bent als er iemand sterft. Als het zo dichtbij komt, als je ziek wordt, als een collega op je werk overlijdt, dan komt het wel op scherp te staan. Hoe zou je het dan durven zeggen, wat Paulus zegt? En kun je het eigenlijk wel maken, zo de dood uitdagen?
Onze eerste reflex is vaak om de dood weg te duwen. Niet aan denken, niet over praten. Maar ja, dat helpt niet echt. Vroeg of laat krijg je er toch mee te maken. En dat doet zo ongenadig pijn, dat kun je niet doodzwijgen. Maar is dit niet het andere uiterste, wat Paulus doet? Je kunt de dood op afstand proberen te houden, als een vage macht die ergens wel loert aan de rand. Maar zoals Paulus de dood aanspreekt: “Kom maar op, waar ben je nou?” - dan krijgt de dood haast een gezicht. Het wordt heel concreet, en daarmee ook veel gevaarlijker. De dood is een bittere vijand, waar je maar beter niet mee kunt spotten. Dat weet Paulus toch ook?
Met het stukje voor de kinderen zonet zit je er al midden in, hoe hard de dood kan aankomen bij ons, hoe intens verdrietig je bent als er iemand sterft. Als het zo dichtbij komt, als je ziek wordt, als een collega op je werk overlijdt, dan komt het wel op scherp te staan. Hoe zou je het dan durven zeggen, wat Paulus zegt? En kun je het eigenlijk wel maken, zo de dood uitdagen?
Onze eerste reflex is vaak om de dood weg te duwen. Niet aan denken, niet over praten. Maar ja, dat helpt niet echt. Vroeg of laat krijg je er toch mee te maken. En dat doet zo ongenadig pijn, dat kun je niet doodzwijgen. Maar is dit niet het andere uiterste, wat Paulus doet?
|